Wordt politie specifiek voorbereid op protesten met minderjarigen? "In heetst van de strijd kan je moeilijk onderscheid maken"
In dit artikel:
Honderden leerkrachten, vakbondsleden en ook veel leerlingen trokken gisteren en vandaag door Brussel om te protesteren tegen geplande besparingen in het Franstalige onderwijs. De betogingen liepen op sommige plaatsen uit de hand: er werden stenen en vuurwerk naar de politie gegooid, auto’s vernield, brandjes gesticht en er werden zelfs gebruiksklare molotovcocktails gevonden. Bij het meest escalerende geweld ontbrandde een grote brand in het Centraal Station waarbij tientallen elektrische fietsen en scooters vlam vatten. In totaal werden ongeveer honderd mensen opgepakt; onder hen bevinden zich ook minderjarigen die gerechtelijk werden gearresteerd.
De inzet van harde politieopties — waterkanonnen, traangas en wapenstokgebruik — kreeg onmiddellijk kritiek van onder meer de Franstalige Liga voor de Mensenrechten, die het optreden “disproportioneel” noemde. Volgens die organisatie moesten leraren een menselijke ketting vormen om hun leerlingen te beschermen. De politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene verdedigde de acties: brandweerlieden moesten zich terugtrekken omdat ze onder vuur lagen en de brand in het station vormde een directe bedreiging voor omwonenden en de volksgezondheid door giftige dampen, waardoor inzet van een waterkanon noodzakelijk was.
Nikki Janssens, algemeen coördinator van de Limburgse politieschool PLOT, licht toe hoe de politie wordt opgeleid voor ordehandhaving (GBOR: Genegotieerd Beheer van de Openbare Ruimte). De basislijn is steeds dialoog; geweldsmiddelen worden volgens Janssens gradueel ingezet afhankelijk van de houding van demonstranten en de concrete risico’s (vandalisme, bedreiging van burgers of hulpverleners). Specifieke opleiding voor protesten met minderjarigen bestaat volgens haar niet: in het heetst van de strijd is het vaak onmogelijk om precies te onderscheiden wie minderjarige is en wie niet, zeker wanneer volwassenen en jongeren door elkaar staan.
Janssens benadrukt wel dat minderjarigen juridisch anders worden behandeld: tijdens verhoor gelden strikte regels, zij hebben recht op bijstand van een advocaat en er zijn aparte detentievoorzieningen. Tegelijk stelt zij dat wanneer er strafbare feiten plaatsvinden en dialoog geen optie meer is, de politie genoodzaakt kan zijn een hardere aanpak te kiezen.
De zaak illustreert de spanning tussen het recht op demonstratie en de noodzaak om openbare orde, veiligheid van hulpverleners en omwonenden te beschermen — een dilemma dat extra urgent wordt zodra jongeren deelnemen aan massale protesten.